Het Europees Parlement,
– gezien het verslag van het deskundigenpanel van de secretaris-generaal van de VN van 31 maart 2011 over de aansprakelijkheid in Sri Lanka,
– gezien de verklaring van de secretaris-generaal van de VN van 25 april 2011 over de openbaarmaking van het verslag van het deskundigenpanel over Sri Lanka,
– gezien de door Sri Lanka ondertekende verdragen, op grond waarvan Sri Lanka verplicht is beschuldigingen dat de internationale humanitaire en mensenrechten zijn geschonden na te natrekken en de schuldigen te vervolgen,
– gezien de verklaring over de benoeming van een VN-deskundigenpanel voor kwesties betreffende de aansprakelijkheid in Sri Lanka, die op 1 juli 2010 door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (OV/HV) namens de Europese Unie is afgelegd,
– gezien de verklaring van de OV/HV van 10 mei 2011 over het verslag van het deskundigenpanel van de secretaris-generaal van de VN over de aansprakelijkheid in Sri Lanka,
– gezien zijn resoluties over Sri Lanka van 5 februari 2009
(1), 12 maart 2009
(2) en 22 oktober 2009
(3),
– gezien het tweede aanvullende protocol van het vierde verdrag van Genève inzake de bescherming van slachtoffers van niet-internationale gewapende conflicten,
– gezien artikel 122, lid 5, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de langdurige burgeroorlog in Sri Lanka in mei 2009 beëindigd is met de overgave van de Liberation Tigers Tamil Eelam (LTTE) en de dood van de leider van deze organisatie, overwegende dat aan het eind van het conflict grote aantallen inwoners van Sri Lanka tot binnenlands ontheemden zijn geworden, vooral in het noorden van de eilandstaat,
B. overwegende dat in de laatste maanden van het conflict naar schatting duizenden burgers zijn omgekomen of gewond geraakt als gevolg van zware gevechten in dicht bewoonde gebieden,
C. overwegende dat president Mahinda Rajapaksa en Ban Ki-moon op 23 mei 2009 tijdens een bezoek van Ban Ki-moon aan Sri Lanka kort na het eind van het conflict, een gezamenlijke verklaring hebben uitgegeven waarin de secretaris-generaal van de VN wees op het belang dat verantwoording wordt afgelegd en de regering van Sri Lanka toezegde alle maatregelen te zullen nemen om beschuldigingen van overtreding van het oorlogsrecht te onderzoeken,
D. overwegende dat de regering van Sri Lanka op 15 mei 2010 een commissie van acht leden heeft benoemd, de Lessons Learned and Reconciliation Commission (LLRC), die de gebeurtenissen in Sri Lanka tussen februari 2002 en mei 2009 moet onderzoeken om te zorgen voor het afleggen van verantwoording, rechtvaardigheid en verzoening in Sri Lanka,
E. overwegende dat de secretaris-generaal van de VN op 22 juni 2010 bekend maakte dat een deskundigenpanel was benoemd om hem van advies te dienen inzake de aansprakelijkheid in verband met beschuldigingen van schending van het internationale humanitaire recht en de mensenrechten in de laatste stadia van de strijd in Sri Lanka,
F. overwegende dat in het VN-verslag dat op 25 april 2011 is gepubliceerd staat dat zowel de regeringsstrijdkrachten als de LTTE militaire operaties hebben uitgevoerd "met totale minachting voor de bescherming, de rechten, het welzijn en het leven van burgers en met overtreding van de regels van het internationale recht",
G. overwegende dat de internationale gemeenschap de regering van Sri Lanka in de laatste stadia van het conflict herhaaldelijk heeft opgeroepen om internationale waarnemers tot het land toe te laten om toe te zien op de mensenrechtensituatie van de door de strijd getroffen burgerbevolking,
H. overwegende dat het panel ook tot de conclusie komt dat "de inspanningen van Sri Lanka bijna twee jaar na het eind van de oorlog absoluut niet voldoen aan de internationale regels die gelden inzake de aansprakelijkheid",
1. uit zijn bezorgdheid over de ernst van de beschuldigingen die in het VN-verslag worden geuit; onderstreept dat serieus ingegaan moet worden op deze beschuldigingen en de desbetreffende schuldvraag, voordat in Sri Lanka sprake kan zijn van blijvende verzoening;
2. wijst erop dat het panel vaststelt dat sprake is van "geloofwaardige beschuldigingen die, als zij waar blijken te zijn, betekenen dat ernstige schendingen van het internationale humanitaire recht en het internationale recht inzake de mensenrechten zijn gepleegd door zowel de regering van Sri Lanka als de LTTE, en dat hierbij in bepaalde gevallen sprake was van oorlogsmisdrijven en misdaden tegen de mensheid";
3. begroet het initiatief van de secretaris-generaal van de VN om een deskundigenpanel inzake de aansprakelijkheid in Sri Lanka te benoemen om onderzoek te doen naar beschuldigingen van schending van het internationale humanitaire recht en de mensenrechten in de laatste stadia van het gewapende conflict;
4. begroet het besluit van Ban Ki-moon om het verslag op 25 april 2011 te publiceren;
5. benadrukt dat de toezeggingen inzake mensenrechten en aansprakelijkheid centraal staan in de gezamenlijke verklaring van de president van Sri Lanka en de secretaris-generaal van de VN van 23 mei 2009;
6. verwelkomt het besluit van de secretaris-generaal van de VN om in te gaan op de aanbeveling van het panel voor een heroverweging van het VN-optreden in verband met de uitvoering van haar humanitaire en beschermingstaken gedurende de oorlog in Sri Lanka, met name in de laatste stadia van de strijd; wijst erop dat het deskundigenpanel de secretaris-generaal van de VN aanbeveelt om onverwijld een onafhankelijk internationaal mechanisme in werking te stellen, met het advies dat het gastland hiermee moet instemmen of dat er een besluit van de lidstaten is genomen door een passend intergouvernementeel forum;
7. is van mening dat gezien de beschuldigingen die in het verslag van het panel van deskundigen van de VN worden geuit een volledig, onpartijdig en transparant onderzoek moet plaatsvinden in het belang van rechtvaardigheid en verzoening in Sri Lanka; dringt er bij de regering van Sri Lanka op aan gehoor te geven aan de aanbevelingen van het panel van deskundigen;
8. is zeer bezorgd over het onrustbarende gebrek aan onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, die juist in aanvulling op het werk van een onafhankelijk onderzoeksorgaan zou kunnen optreden; dringt er bij de regering van Sri Lanka op aan te zorgen voor rechtsherstel en vergelding;
9. roept de regering van Sri Lanka op om haar internationale verplichtingen na te komen en het binnenlandse aansprakelijkheidsproces te verbeteren om zo bij te dragen tot de inspanningen gericht op volledige verzoening die reeds worden ondernomen;
10. erkent in dit verband dat de regering van Sri Lanka een Lessons Learned and Reconciliation Commission (LLRC) heeft opgericht; dringt er met klem bij de LLRC op aan om het VN-verslag serieus te nemen; wijst erop dat de LLRC de bevoegdheid heeft om de procureur-generaal van Sri Lanka te verzoeken om strafvervolging in te stellen op basis van haar bevindingen;
11. eist van zowel de LTTE als de regering van Sri Lanka dat zij verantwoording afleggen in het licht van de beschuldigingen van schendingen van het internationale humanitaire recht en de mensenrechten;
12. dringt er bij de regering van Sri Lanka op aan om gehoor te geven aan de aanbevelingen van het deskundigenpanel, te beginnen met "onmiddellijke maatregelen", en onverwijld een begin te maken met een echt onderzoek naar de beschuldigingen van schending van het internationale humanitaire recht en de mensenrechten die door beide zijden in het gewapende conflict zijn begaan;
13. verzoekt de OV/HV, de Raad en de Commissie hun steun te geven aan verdere inspanningen om het proces van het afleggen van verantwoording in Sri Lanka te versterken en om het VN-verslag te onderschrijven,
14. roept de regering van Sri Lanka op tot een proactieve aanpak van de ware politieke, economische en sociale zorgen en belangen van haar Tamilburgers; dringt er bij de regering van Sri Lanka op aan meer politieke bevoegdheden over te dragen en de aanwerving van Tamils in overheidsdienst en bij de politie en de strijdkrachten te stimuleren, zodat de Tamilbevolking gerustgesteld wordt en de nederlaag van de LTTE als een bevrijding gaat zien en uitziet naar een hoopvolle en welvarende toekomst op gelijke voet met hun Singhalese medeburgers;
15. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de president, de regering en het parlement van Sri Lanka.
| (1) |
PB C 67E van 18.3.2010, blz. 141. |
| (2) |
PB C 87E van 1.4.2010, blz 127. |
| (3) |
PB C 265E van 30.9.2010, blz. 29. |
|