Link naar aangenomen resolutie
Het Europees Parlement,
– gezien de artikelen 113 en 167 VWEU,
– gezien Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde,
– gezien Richtlijn 2008/8 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de plaats van een dienst,
– gezien de mededeling van de Commissie getiteld "EU 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei",
– gezien de mededeling van de Commissie over een digitale agenda voor de toekomst,
– gezien het Groenboek van de Commissie over de toekomst van de btw,
– gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over de ontsluiting van het potentieel van de cultuurindustrie en de creatieve bedrijfstakken,
– gezien zijn resolutie van 13 oktober 2011 over de toekomst van de btw,
– gezien de richtlijnen van de OESO inzake de neutraliteit van het btw-stelsel,
– gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de EU 2020-strategie voorziet in een vlaggenschipinitiatief om een digitale interne markt te creëren;
B. overwegende dat de digitale interne markt van de EU nog steeds gefragmenteerd is en dat dit ten dele te wijten is aan de verbruiksbelastingen die van toepassing zijn op goederen en diensten;
C. overwegende dat de economische crisis de economische groeimogelijkheden zwaar heeft aangetast en dat de digitale economie het potentieel heeft om in de komende jaren een belangrijke bijdrage te leveren aan de welvaart van Europa;
D. overwegende dat de Europese Unie het potentieel van de interne markt gestalte moet geven door online en grensoverschrijdende handel tussen de lidstaten te faciliteren;
E. overwegende dat de Europese Commissie zich momenteel beraadt over de toekomst van de btw, en daarbij ook rekening dient te houden met de EU 2020-strategie;
1. wijst erop dat de bestaande regelgeving, en met name bijlage 3 van Richtlijn 2006/112/EG, een belemmering vormt voor de ontwikkeling van nieuwe digitale diensten en dat zij bijgevolg indruist tegen de in de digitale agenda vastgelegde doelstellingen;
2. is van mening dat de btw-tarieven voor boeken duidelijk laten zien op welke punten de bestaande wetgeving tekortschiet; hoewel de lidstaten verlaagde btw-tarieven kunnen toepassen voor de levering van boeken langs fysieke weg, geldt voor e-boeken een standaardtarief van 15 procent; deze vorm van discriminatie valt niet te verantwoorden, gezien de potentiële groei van dit marktsegment;
3. onderstreept dat de Europese Unie zich ambitieus moet opstellen en verder dient te gaan dan alleen maar het rechtzetten van tegenstrijdigheden in het bestaande regelgevingskader; het stimuleren van bedrijven om nieuwe pan-Europese online diensten te ontwikkelen en aan te bieden moet prioriteit krijgen bij de herziening van de btw-regels;
4. merkt echter op dat de Europese Unie er goed aan zou doen op haar eigen behoeften toegesneden oplossingen uit te werken; met het oog op de ontwikkeling van een echte interne markt zou de EU-regelgeving de lidstaten in de gelegenheid moeten stellen om tijdelijk een verlaagd btw-tarief voor langs elektronische weg verleende culturele diensten toe te passen;
5. deze nieuwe dienstencategorie, die zou moeten worden opgenomen in de huidige bijlage 3 van Richtlijn 2006/112/EG, zou zich kunnen uitstrekken tot de levering van online diensten zoals tv, muziek, boeken, kranten en tijdschriften door een binnen de EU gevestigde leverancier aan om het even welke in de EU woonachtige consument;
6. de digitale verspreiding van culturele, journalistieke en creatieve inhoud stelt auteurs en leveranciers van inhoud in staat nieuwe en grotere doelgroepen te bereiken;. Europa moet vaart zetten achter de creatie, productie en distributie (op alle platforms) van digitale inhoud, en de toepassing van een verlaagd btw-tarief voor online beschikbare culturele inhoud kan de groei ongetwijfeld stimuleren;
7. verwijst naar de OESO-beginselen inzake belastingheffing op elektronische handel, waarover in 1998 in Ottawa overeenstemming is bereikt; deze beginselen bepalen dat de regels inzake verbruiksbelastingen (zoals de btw) moeten resulteren in belastingheffing in het rechtsgebied waar het verbruik plaatsvindt; overeenkomstig Richtlijn 2008/8/EG zullen de OESO-beginselen met ingang van 1 januari 2015 voor de Europese Unie gaan gelden;
8. is van mening dat een herziening van de btw-wetgeving waarbij de lidstaten meer flexibiliteit wordt geboden met betrekking tot verlaagde btw-tarieven hand in hand moet gaan met de toepassing van de beginselen van Richtlijn 2008/8/EG; wijst er evenwel op dat het beginsel van belastingheffing in de lidstaat waar het verbruik plaatsvindt zo spoedig mogelijk moet gaan gelden, zodat alle lidstaten in gelijke mate kunnen profiteren van de digitale interne markt;
9. verzoekt de Commissie daarom na te gaan of Richtlijn 2008/8/EG in dier voege kan worden herzien dat wordt bepaald dat de btw nog vóór 1 januari 2015 wordt betaald in de lidstaat waar het verbruik plaatsvindt;
10. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.
Resolutie over modernisering van de btw-wetgeving ter stimulering van de digitale interne markt
11 nov 2011